De eerste strandpalen werden in 1843 geplaatst langs de vaste kust van Noord-Holland, van Den Helder tot Zandvoort: elke kilometer één. Dat gebeurde op initiatief van een jonge ingenieur van de waterstaat, zoals dat toen werd genoemd: Johan Ortt van Schonauwen. Hij kreeg ook de leiding over het project.
Het ging erom, de kust met behulp van triangulering nauwkeurig in kaart te brengen en door regelmatige metingen de ontwikkeling van strand en duinen bij te houden. Dat was nieuw. Tot dan toe liep de verdediging van de kust altijd achter de feiten aan. Vanaf nu kon men zien aankomen waar de kust zou worden aangetast en waar hij zou groeien.
Texel volgde zeven jaar later, in 1850. Na een lezing van Ortt voor de vereniging van ingenieurs in Zuid-Holland werden er in 1856 strandpalen geplaatst langs de gesloten kust van die provincie.

Twee palen op een rij
Vanaf het eind van de negentiende eeuw werden de strandpalen ook gebruikt voor lodingen: dieptemetingen van de vooroever, het ondiepe water waar het strand in overgaat. Dat gebeurde door meetploegen in bootjes, waarbij de strandpalen als oriëntatie dienden.
Er verschenen sindsdien ook meer hulppalen op dezelfde lijn, loodrecht op de kust, als de strandpalen. Die lijn konden de meetploegen dan ook aanhouden. Toen had je dus vaak twee strandpalen per kilometer.

Uitbreiding van het strandpalenstelsel
Aan het eind van de jaren vijftig van de twintigste eeuw kwamen er langs de hele kust grote aantallen strandpalen bij. Dat kwam door de uitvoering van de Deltawerken, die op hun beurt weer een reactie waren op de grote Watersnoodramp van 1953.
Er werden dijken en dammen aangelegd, die de stromingen en de bewegingen van zandbanken voor de kust zouden kunnen beïnvloeden. Rijkswaterstaat wilde de vinger aan de pols houden om die dynamiek nauwkeurig te kunnen volgen.
Zo kwamen er op elke kilometer langs de kust vier tot vijf strandpalen te staan in plaats van één of twee, en voor elke strandpaal op het strand kwamen er nog twee tot vier bij op de raai: een lijn, loodrecht op de kust. Dat was onder meer om de ontwikkeling van het duinlichaam bij te houden.
Kleuren, letters en cijfers
Vóór de grote uitbreiding hadden strandpalen alleen het kilometernummer op de kop: de afstand tot het punt waar de telling begon. Zwarte cijfers op een witte kop, of witte cijfers op een zwarte kop.
Daarna werden de koppen oranje of rood, en verschenen daarop in zwarte letters allerlei gegevens: het kilometernummer met twee of drie decimalen, de afstand tot de hoofdpaal op de raai, een letter voor zeewaarts of landwaarts en een Romeins cijfer voor het rangnummer op de raai.
En er verschenen geschilderde banden onder de kop: een voor de eerste paal op de raai, twee voor de tweede en zo verder tot wel vier banden.

Einde van het stelsel
In de jaren negentig van de twintigste eeuw waren digitalisering en satelliettechniek zo ver gevorderd dat er geen strandpalen meer nodig waren. De metingen gingen gewoon door, maar nu per satelliet.
Door een nieuwe verdeling van de verantwoordelijkheden langs de kust kwamen de strandpalen onder de kustwaterschappen te vallen, behalve op de Friese Waddeneilanden; daar bleef Rijkswaterstaat het doen. Zowel de waterschappen als Rijkswaterstaat op de eilanden hadden niet veel belang bij de palen.
Tegenwoordig kan je op het strand en in de duinen de verschillen tussen die waterschappen zien - en tussen de Waddeneilanden onderling - wat betreft aandacht voor het onderhoud. De een doet er veel aan, de ander weinig of niets. In de duinen wordt er helemaal niet naar omgekeken. Alleen op Ameland wordt er heel goed voor gezorgd, zowel op het strand als in de duinen. De moeite waard om eens te gaan kijken!
